De restauratie

De noodzakelijke restauratie: 1984 

26

Vanaf  het midden van de jaren '70 verkommerde de Sint-Janskluis langzaam. De verkenners van de Kluis gebruikten het Kluisje nog maar zelden en niemand voelde zich geroepen om met de Sint-Janskluis iets te gaan doen.  In 1982 en 1983 waren er twee initiatiefnemers, die los van elkaar met de gemeente Geleen gingen overleggen over de restauratie van de Sint-Janskluis. De een was pastoor Jan Kortooms van de Christus Koningparochie, de ander Emile Mastenbroek,  in het dagelijks leven lid van Gedeputeerde Staten en in zijn vrije tijd begaan met het lot van het karakteristieke monument in zijn woonwijk.  De gemeente Geleen, eigenaar van de Sint-Janskluis,  wist zelf nog steeds niet goed wat ze met de Kloes aan moest. Toen beide initiatiefnemers uiteindelijk gezamenlijk hun ideeën uitwerkten, ontstond het idee van restauratie van de Kloes en de inrichting van het monument als een bidkapel. Uiteindelijk konden zij het gemeentebestuur van Geleen overtuigen van het belang van de restauratie en het behoud van een van de weinige monumenten die Geleen rijk is. De gemeente stelde wel als voorwaarde dat er een beheersstichting moest komen, die de kapel na restauratie zou gaan beheren. 

Stichting Sint-Janskluis 

Die stichting (de Stichting Sint-Janskluis) werd  eind 1984 opgericht. Het stichtingsbestuur moest statutair worden samengesteld uit 2 vertegenwoordigers namens de gemeente Geleen (de heren Mastenbroek en Schreuder), 2 vertegenwoordigers namens de gezamenlijke geleense kerkbesturen (de heer Kortooms en mevrouw Michielsen-van Binsbergen) en 1 vertegenwoordiger namens de Heemkundevereniging Geleen (de heer Arts). 

De restauratie 27

In 1984 startte de gemeente met de restauratiewerkzaamheden. Die werkzaamheden waren vrij rigoureus:  van de inrichting die de verkenners hadden gecreëerd  bleef niets over.  Dat de bar  werd gesloopt  is op zich natuurlijk weinig verrassend, maar zelfs de oude, originele vloer werd deels opgepakt en opnieuw gelegd.  Achter in het gebouw werd een sacristie met toilet en berghok gebouwd.  Daarbij werd dankbaar gebruikt gemaakt van het riool en de elektrische aansluiting, die beide door de verkenners waren aangebracht. 

Het scheve torentje 

Omdat de Sint-Janskluis een officieel  rijksmonument is, werd de restauratie begeleid door architect Palmen te Sittard, die namens Monumentenzorg  toezicht  hield op de werkzaamheden.  Vanuit de gemeente Geleen was de restauratie voorbereid door stadsarchitect de heer Zwaan. Zwaan zag in de restauratie en uitstekende gelegenheid om het torentje van de Sint-Janskluis, dat al sinds mensenheugenis een beetje scheef staat, recht te zetten. Palmen was echter van oordeel dat het scheve torentje origineel was, bij het monument hoorde en dus niet mocht worden rechtgezet.  

Wie de Sint-Janskluis bekijkt, zal zien dat Monumentenzorg uiteindelijk voet bij stuk heeft gehouden: het torentje staat nog steeds een beetje scheef. 

Lambrisering 

Ook de kleur van de lambrisering op de muren bleek verrassend veel discussie op te leveren.  Het stichtingsbestuur kreeg tijdens een van de eerste vergaderingen een aantal kleurenvoorstellen voorgelegd, omdat de diverse deskundigen het blijkbaar niet echt eens werden. Absoluut onbevooroordeeld en zich verbazend over het feit dat zoiets reden kon zijn voor moeilijke discussies, koos het bestuur de kleurencombinatie (2 rode strepen en 1 gouden), die ook de gemeente Geleen het meest aansprak.  Bij de recente grote onderhoudsbeurt  is deze lambrisering  dan ook zorgvuldig gehandhaafd. 

Bedeltocht 

Direct na de oplevering van de gerestaureerde kapel begon het stichtingsbestuur een bedeltocht langs allerlei kerkelijke instanties om een interieur voor de Sint-Janskluis te vergaren.  Een kruisbeeld, kerkbanken en een altaar waren voor de inrichting wel de minimumvereisten. Het bestuur bezat voor die bedeltocht in de persoon van mevrouw Michielsen -van Binsbergen iemand met veel overtuigingskracht. Het bezoek aan Rolduc is daarvan wel het mooiste voorbeeld.

Via het Bisdom werd een afspraak gemaakt met het centrum Rolduc, waarin elk geval een kruisbeeld en kerkbanken aanwezig waren, die aan de stichting in bruikleen konden worden afgestaan. Te Rolduc aangekomen legde het bestuur aan directeur Stassen de behoefte van de Stichting uit en benadrukte nogmaals de noodzaak om de Sint-Janskluis met mooi kerkelijk meubilair in te richten; zo'n monument verdient het niet om 'afdankertjes' te krijgen. Na de koffie kreeg het bestuur eerst een rondleiding door de toen ook recent gerestaureerde kerk, en -op weg naar het magazijn- leidde directeur Stassen het gezelschap ook nog even door de gang waarin meerdere kerkschatten staan geëxposeerd. Mevrouw Michielsen had van verre al het prachtige barokke altaartje zien staan, dat als een van de absolute pronkstukken de gang sierde. Met een grote vanzelfsprekendheid legde zij haar hand op de arm van directeur Stassen en zei: "Meneer Stassen, daar staat ons altaartje". Stassen verschoot enigszins en probeerde uit te leggen dat juist dat altaartje absoluut niet kon worden afgestaan: het was een van de mooiere elementen van de gehele collectie.  Hij had vervolgens wel al zijn standvastigheid nodig om niet te zwichten voor het gloedvolle betoog van mevrouw Michielsen, die hem in warme bewoordingen verduidelijkte dat het eigenlijk als een eer voor zowel Rolduc als het altaartje zelf moest worden beschouwd als dit altaar in de Sint-Janskluis zou komen te staan. Als wederdienst heeft de heer Stassen de stichting wel aan 12 prachtige neogotische kerkbanken geholpen. Uit de refter van Rolduc heeft de stichting een neogotisch kruisbeeld gekregen, dat nu in de Sint-Janskluis achter het altaartje hangt. Het barokke altaartje is het dus uiteindelijk  niet geworden.  Het altaartje dat nu in de kapel staat is bereidwillig afgestaan door de St. Augustinusparochie te Geleen. 

De bedeltocht voerde verder langs Huize Marienwaard te Maastricht. Daar werd door de reorganisatie van de jeugdwelzijnszorg een deel van de inboedel overcompleet. De stichting Sint-Janskluis kon daar een paar mooie bidstoelen, een Mariabeeld en diverse kleinere inrichtingselementen in bruikleen verkrijgen. Bij de hernieuwde opening en inzegening van de Sint-Janskluis in mei 1985 was het interieur voldoende om 'de Kloes' weer als kapel in gebruik te nemen. 

"Zjwaere aafbaee" 

Sommige gewoonten veranderen niet,  zelfs niet na tientallen jaren. Direct na de heropening werd de Sint-Janskluis op zondag al meteen bezocht door Geleendenaren, die niet alleen het resultaat van de restauratie kwamen bewonderen, maar ook in alle rust een kaarsje kwamen branden of even kwamen bidden. Daaronder ook een echtpaar uit Lindenheuvel,  dat gewacht had op de voltooiing van de restauratie en  nu weer naar de Kloes was getogen om  voor een familielid  de 'zjwaere aaf te baee'.  De destijds aanwezige toezichthouder kreeg,  enigszins verbaasd maar zeer geïnteresseerd, vervolgens uitgebreid toegelicht dat het in Geleen altijd al gebruikelijk was geweest om in de Kluis te komen bidden als iemand last had van zweren, wratten en dergelijke.  In de 'Kloes' had immers ook altijd het schilderij van 'Zjwaere Job' gehangen. Daarmee werd duidelijk dat door drie eeuwen heen iets van de originele bestemming van de Sint-Janskluis (als ziekenhuis voor besmettelijke ziekten)  altijd onder de Geleense bevolking is blijven leven! 

Sleutels verkennerij 

De deuren van de Kluis waren bij de restauratie zoveel mogelijk in de originele staat gehouden. Dat gold ook voor het slot op de deur aan de westzijde: een zwaar, gesmeed slot, dat moest worden geopend met een eenvoudige, maar opvallend grote, zware ijzeren sleutel.  Het stichtingsbestuur had twee sleutels gekregen bij de overdracht, maar al gauw bleek dat er onder de verkenners nog veel meer van die sleutels waren. Op de zondagmiddagen, tijdens de opening van de Sint-Janskluis, kwamen in de maanden daarna nog twee verkenners keurig hun sleutel inleveren.  Op dat moment was die sleutel nog steeds de enige sleutel die toegang verschafte tot de Kloes. Vrij kort daarna is op last van de verzekering  een cilinderslot geplaatst en is het oude slot buiten werking gesteld.  In de loop der jaren zijn er nog meerdere (oud-)verkenners geweest die vertelden nog in het bezit te zijn van een sleutel.  Die mogen ze nu als 'souvenir' wel behouden. 

Antonius met het varken 

De verdere aankleding en verfraaiing van de Sint-Janskluis bleef  een belangrijk doel van het stichtingsbestuur. Voor dat doel wilden ze ook zelf wel graag een bijdrage leveren, zij het in een enkel geval met een bijzondere reden. In 1987 waren de voorzitter Emile Mastenbroek en zijn eega Mia met de caravan van vrienden op vakantie in Frankrijk. Onderweg langs de Loire ontdekten zij ineens dat ze de sleutels van de caravan kwijt waren. Alle mogelijkheden nalopend kwamen ze tot de conclusie dat ze de sleutels hoogstwaarschijnlijk bij hun laatste rustplaats, 60 km eerder bij een zonnebloemakker,  hadden laten liggen. Op hoop van zegen draaiden ze om. Toen ze langs een kerk reden, riepen Emile en Mia, zoals het goede katholieken betaamt, de hulp in van de H. Antonius. Daarbij deden ze de belofte dat ze, als ze de sleutels zouden terugvinden, voor de H. Antonius een beeldje zouden laten maken voor een van de nissen in de westelijke buitenmuur van de Sint-Janskluis. Aangekomen bij die plek  60 km terug stapten ze beiden uit en vond Emile na drie passen al direct de verloren sleutelbos.  

Het heeft de H. Antonius geen windeieren gelegd:  in opdracht van de familie Mastenbroek vervaardigde de kunstenaar Knoben uit Sittard een beeldje van chamotte-klei. De H. Antonius is daar weergegeven met aan zijn voeten een varkentje. In de zomer van 1988 is het beeldje in de nis geplaatst. 

Restauratie van de schilderijen 

In het boek 'De Kluis van Krawinkel" van Prof.dr. Arthur Schrijnemakers staat een oude foto van het interieur van de Sint-Janskluis. Daarop is het oude muuraltaar te zien, met daarboven een tweetal schilderijen. Een daarvan is het schilderij van 'Zjwaere Job' (Job op de mestvaalt), waar we het al eerder over hadden. Het ander is het schilderij waarop de onthoofding van St. Jan de Doper is weergegeven.  Ergens in de zeventiger jaren zijn deze schilderijen overgebracht naar de kelder van de parochiekerk van Oud-Geleen. Ze waren door de tand des tijds zwaar aangetast. Voor het stichtingsbestuur bezaten ze, als originele schilderijen van de Sint-Janskluis, echter natuurlijk nog een zeer bijzondere waarde. In 1988/1989 startte het stichtingsbestuur een overleg met het Kerkbestuur van de parochie van de H.H. Marcellinus en Petrus om de schilderijen in eigendom of bruikleen over te nemen. Tegelijkertijd werd overlegd met het Restauratie-atelier te Rolduc, om te bezien of restauratie mogelijk was en zo ja, tegen welke kosten. Het werd een zeer boeiende operatie. 

Op een donderdagavond togen voorzitter en secretaris naar de kerk van Oud-Geleen, met de breedste auto waarover zij konden beschikken: een rode Toyota Corolla. De schilderijen, bijna drie eeuwen oud en in de Sint-Janskluis altijd onder invloed van koude, warmte en vocht,  werden in wel zeer slechte toestand uit de kelder gehaald en achter in de Corolla gelegd. Bij het zien van de zwaar beschadigde lijsten, het gescheurde doek en de gebarsten verf  zonk de beide bestuursleden de moed in de schoenen. Maar omdat met Rolduc nu eenmaal was afgesproken dat de twee schilderijen zouden worden gebracht, werd de rit naar Kerkrade conform afspraak gemaakt. 

De restaurateurs van Rolduc, onder leiding van mevrouw Anne van Grevenstein, bekeken de schilderijen echter met geheel andere ogen:  het had niet veel langer moeten duren, maar ze waren zeker nog te herstellen en het was een absolute uitdaging. De restauratie van de schilderijen duurde uiteindelijk 9 maanden.  Laag voor laag werden de oude vernislagen, die door invloed van zonlicht erg donker waren geworden, verwijderd. Alleen de laatste vernislaag werd gehandhaafd, om ook de verf niet te beschadigen. Echt  ouderwets monnikenwerk. Bij een tussentijds bezoek vertelde een medewerker: "Tja, als je een dag goed kunt doorwerken, je wordt niet te veel gestoord, ja, dan doe je toch zeker wel een paar vierkante centimeter per dag" (!).  

De scheuren in het doek werden met behulp van een vacuümtafel zoveel mogelijk gedicht. Daar waar de verf was weggevallen, werd met speciale, volgens oude procédés vervaardigde verf, het doek bijgemaakt.  De barsten in de verf bleven gehandhaafd. Mevrouw van Grevenstein zei daarover: "Het zijn oude schilderijen, dat mag je best zien".  De verdwenen ornamenten van de lijsten werden bijgemaakt en in dezelfde kleur geschilderd.  

Het resultaat was verbluffend: de schilderijen waren weer helder, de afbeeldingen duidelijk te zien.  Hun beroepscode eist echter van restaurateurs dat hun werkzaamheden voor een geoefend oog goed te herkennen moeten zijn.  Wie kort bij de schilderijen gaat staan, zal bij het schilderij van Job inderdaad goed kunnen zien waar het doek gescheurd is geweest. Alle overige herstelwerkzaamheden zijn echter niet of nauwelijks meer te herkennen. in de sacristie van de Sint-Janskluis ligt een fotoreportage van de restauratie voor eenieder ter inzage. Bij het zien van de foto's zal het respect voor de kundigheid van de restaurateurs alleen nog maar toenemen.

Voor  de terugreis van de schilderijen naar de Sint-Janskluis was de Toyota Corolla dan ook niet meer geschikt. Het bestuur huurde een grote bestelbus, waar de schilderijen nu heel voorzichtig in werden gelegd. 

Saillant detail is dat  mevrouw van Grevenstein bij de presentatie van de gerestaureerde schilderijen aan de Vrienden van de Sint-Janskluis mededeelde, dat het in haar carrière de tweede keer was, dat ze meemaakte dat gerestaureerde schilderijen na restauratie werden teruggehangen aan de muur, waarvoor ze ook oorspronkelijk waren geschilderd. Dat had ze voor deze gelegenheid alleen nog maar meegemaakt met een schilderij van Frans Hals, dat door haar in Amsterdam was gerestaureerd en was teruggeplaatst in de koopmanswoning, waar het origineel voor was geschilderd.  Die mededeling geeft nog steeds een extra cachet aan de schilderijen.

Op aanraden van mevrouw van Grevenstein heeft het stichtingsbestuur, in overleg met de gemeente Geleen  de twee vensters aan de voorzijde van de kapel voorzien van luiken. Daarmee wordt voorkomen dat er direct zonlicht op de schilderijen valt en de vernislagen weer snel verkleuren.

Klokje 

Wie de Sint-Janskluis binnen gaat, zal zien dat er achter het altaartje een touw hangt: dat is het touw van het luidklokje. In 1984 hing in het torentje nog altijd het oude klokje, dat ergens in het midden van de vorige eeuw in de toren is gehangen.  Direct na de restauratie kwamen er nog enkele hoogbejaarde Geleendenaren naar de Kloes, die als klein kind de laatste kluizenaar, broeder Antonius, nog hadden gekend. Ze vertelden ook dat Antonius het klokje luidde als hij niets meer te eten had. Een oudere mevrouw kon zich bij haar bezoek aan de gerestaureerde Sint-Janskluis nog herinneren dat ze met haar moeder 'broad en sjenk' ging brengen. Welnu, het oude klokje luidde niet meer in 1984. De klokkenstoel was kapot en ook de klepel ging niet meer soepel. Voor het bestuur van de stichting was dat aanleiding om te zoeken naar sponsoren voor eennieuwe klok. De Lions Club Sittard Geleen werd uiteindelijk bereid gevonden om via een actie geld in te zamelen voor een nieuwe klokje voor de Kloes.  De klok is gegoten bij de Fa. Eijsbouts te Asten. Bij een bezoek aan de fa. Eijsbouts kreeg het bestuur het advies om te kiezen voor een klok met een A-cis klank. Dat zou volgens de deskundigen het best passen bij een torentje als dat van de Sint-Janskluis. Niemand van de bestuursleden had enig idee hoe A-cis dan wel precies klonk, maar aan de nadere kant had ook niemand 'bezej van klokke en klokkeklank'; het voorstel van Eijsbouts werd dan ook aangenomen. Op een mooie zomerdag in 1987 is het klokje ingezegend. Conform de traditie is de naam van de schenker, Lions Club Sittard Geleen, in de rand van de klok gegoten. Iedereen die wil, mag tijdens de openstelling op zondag wel eens aan het touw trekken en op de ouderwetse manier de klok luiden. Het is niet alleen voor kinderen een boeiende ervaring.

Het oude klokje, waarvan we alleen weten dat het uit plusminus 1848 stamt, hangt nu achter in de kapel. 

Kluizenaarskruisjes 

Dat Geleen en de Geleendenaren van oudsher een band hebben gehad en nog steeds hebben met de 'Kloes' bleek ook uit een aantal andere gebeurtenissen. In 1985 ontving het bestuur van de familie Janssen uit de Beneluxlaan een houten kruisje. Dat kruisje had de -inmiddels overleden- heer Janssen als jongetje gekregen van broeder Antonius, de laatste kluizenaar.  Een bijzonder geschenk, dat in de sacristie van de Sint-Janskluis een vaste plaats heeft gekregen. 

Enige tijd later  nam de heer Paes contact op met het stichtingsbestuur: hij had nog een kluizenaarskruisje in zijn bezit, dat zijn vader van Antonius had gekregen. De heer Paes vond dat dat kruisje in de Sint-Janskluis beter op zijn plaats zou zijn dan bij hem thuis. Ook hier nam het bestuur dit kruisje met grote dankbaarheid aan. Dit kruisje hangt in een lijstje boven de westelijke toegangsdeur van de kapel. 

Piëta 

Een wel heel bijzondere gebeurtenis was de onverwachte terugkeer van de piëta, een beeld dat door em. pastoor Wermeling in 1948 in de Kluis was geplaatst. De kapel fungeerde toen als parochiekerk.  Ergens in de zestiger jaren is dat beeld uit de Sint-Janskluis verdwenen. Niemand wist waar naar toe. Tijdens een open dag van de Heemkundevereniging Geleen in 1995 werd het beeld ineens door twee tot nu toe onbekende mannen naar binnen gedragen met e mededeling dat het beeld bij e Sint-Janskluis behoorde. De mannen zijn vervolgens weer  vertrokken zonder hun naam of adres achter te laten. We sluiten niet uit dat een bezorgde Geleendenaar het beeld destijds uit voorzorg uit de toen eigenlijk verlaten kapel heeft gehaald en het heeft teruggebracht op een moment dat hij/zij er zeker van was dat het weer een goede plaats zou krijgen in de Kloes. Welnu, dat laatste is zeker het geval:  via de Heemkundevereniging is het beeld overgedragen aan de stichting Sint Janskluis. Het beeld staat nu  vooraan aan de oostzijde van de kapel op een granieten sokkel. 

Betrokkenheid 

De betrokkenheid van de inwoners 'rondj de Kloes' met het monument wordt ook goed geïllustreerd door de volgende gesten: de heer en mevrouw Paulissen-Willen boden een fraaie koperen lezenaar aan in bruikleen.

De familie Segeren heeft in bruikleen afgestaan het antipendium (voorhangdoek voor het altaar) dat door hun moeder, mevrouw van Alphen met grote precisie en grote vaardigheid is vervaardigd. Daarmee is naast alle oudere en antieke voorwerpen die in de kapel staan, in de Sint-Janskluis ook het een en ander aan 'nieuwe' kunst te bewonderen. 

De Hubertussleutel 

Van alle geschiedenissen rond het interieur van de Sint-Janskluis is de historie van de Hubertussleutel wel een van de vermeldenswaardigste.  De lezers van het boekje van Prof. dr. Arthur Schrijnemakers 'de Kluis van Krawinkel'  kennen het verhaal en de afbeelding van de Hubertussleutel. Het gaat om een eenvoudig kruisje van ijzeren staafjes, dat in elk geval door de laatste kluizenaar Antonius werd gebruikt om honden te brandmerken als middel tegen hondsdolheid.  Het kruisje werd bewaard in een lederen etui. In het boekje is te lezen dat Prof. Schrijnemakers het kruisje in zijn bezit had. Bij een van zijn bezoeken aan Geleen liet de heer Schrijnemakers weten dat  hij het kruisje graag zou overdragen aan de stichting, onder de voorwaarde dat het zou worden opgeborgen in een goed afgesloten kastje.  Het stichtingsbestuur beraadde zich over de verschillende mogelijkheden om aan de wens van Schrijnemakers te voldoen, maar kon geen oplossing vinden die aan die wens voldeed, maar dan wel tevens inpasbaar was in het interieur van de Sint Janskluis.  Lopende die discussie vond in de Sint-Janskluis een plechtigheid plaats bij gelegenheid van ............... In het kader van die gelegenheid  was (door de Heemkundevereniging???) ook een moment gearrangeerd, waarop de broer van Prof. Schrijnemakers, de heer Louis (?) Schrijnemakers,  de Hubertussleutel zou overdragen aan pastoor Kortooms, die de sleutel dan namens het bestuur van de Stichting Sint Janskluis in ontvangst zou nemen. Wetende dat het overleg met Prof. Schrijnemakers over de beveiliging van de sleutel nog niet was afgerond, was pastoor Kortooms blij verrast door de gebeurtenis. Wat hem echter niet was verteld was dat hij de sleutel direct weer moest teruggeven, zodra de foto's voor de krant waren gemaakt.  De verrassing voor pastoor Kortooms was daarmee compleet. 

Vrij kort daarna is de Hubertussleutel alsnog definitief naar de Sint-Janskluis teruggekeerd. Prof. Schrijnemakers was voldoende overtuigd dat de gewone beveiliging van de gehele kapel ook voldoende beveiliging zou zijn voor de Hubertussleutel.  De sleutel, die natuurlijk een zeer bijzondere historische waarde heeft, hangt in een lijstje in de sacristie. 

Kruisweg 

Dat moderner uitgevoerde kunstwerken uitstekend bij het verder klassieke interieur van het kapelletje kunnen passen bewijst de kruisweg van de heer Ysebaert, die in 1998 in de Kloes is aangebracht. In opdracht van het stichtingsbestuur heeft Ysebaert de 14 staties van de kruisweg in emaille-cloisonne uitgevoerd. De kruisweg op zich is al een bezoek aan de Sint-Janskluis waard.  Om het onderscheid tussen het overigens vooral neogotische interieur en  kruisweg te accentueren, zijn de 14 staties aan de westelijke wand naast elkaar bevestigd. Daar zijn ze ook zeer goed van dichtbij te bewonderen. 

'Wie heisje ze ouch al weer?" 

De kerstkribbententoonstelling met kerststallen uit de collectie van pastoor van Oss uit Schimmert/Genhout is inmiddels een vast onderdeel van de jaarlijkse activiteiten in de Sint Janskluis. De tentoonstelling trekt veel volk, zowel oud als jong. Het blijkt dat het niet altijd de jongeren zijn, die niet alle details van het Kerstverhaal meer kennen. Op 1e Kerstdag 1997 bezochten drie oudere dames gezamenlijk de tentoonstelling van een dertigtal kerststallen. Bij een tiental kersttaferelen hoorden ook beeldjes of afbeeldingen van de drie koningen: Caspar, Melchior en Balthasar.  Maar telkens als deze dames bij hun rondgang langs de kerststallen de drie koningen zagen, vroegen ze zich hardop af, hoe ze nu ook al weer heten en telkens waren ze tenminste 1 naam kwijt. Dus draaiden ze zich om naar degene die namens de stichting toezicht hield en vroegen: "Zegk, wie heisje ze noe ouch alweer: Caspar, Melchior en..? Oh ja, Balthasar" ; om bij de volgende kerststal te zeggen: "Wae? oh ja, Melchior, dat  waor d'n driede"